Mensen genezen: hoe gaat dat in de negentiende eeuw?

7 minuten leestijd

Mensen genezen: hoe gaat dat in de negentiende eeuw?

Personen

Je leest nu

Mensen genezen: hoe gaat dat in de negentiende eeuw?

    • Deel op

    • Gekopieerd
  • 15
  • 4094

De geneeskunde neemt in de negentiende eeuw een vlucht. Armin van Buuren ontdekt in Verborgen verleden dat een van zijn voorouders in die tijd een ‘heelmeester’ is. Hoe ziet zijn werk eruit en waardoor kan de geneeskunde 150 jaar geleden zo'n grote stappen maken?

Samengesteld door Anne Verwaaij - Verborgen verleden

Hoe de Fransen de geneeskunde vooruit stuwen

In Verborgen verleden ontdekt Armin van Buuren dat zijn betovergrootmoeder, Bernardus Res, een heelmeester is geweest. Bernardus leert zijn vak bij een chirurgijn in Zaandijk en haalt in 1828 zijn diploma als plattelandsheelmeester. Dit betekent dat hij zijn beroep mag uitoefenen in dorpen en kleine steden.

De hele aflevering zien? Kijk op NPO Start

Deel alinea

Dat het uitoefenen van zijn functie voor Bernardus beperkt is tot het platteland komt voort uit de Franse Tijd. Tussen 1795 tot 1813 hebben de Fransen de macht in handen in ‘Nederland’. Zij introduceren niet alleen de Burgerlijke Stand en gelijke maatsoorten, maar brengen ook orde en structuur aan in de geneeskunde.

Zo verscherpen ze het toezicht op de vele beroepsgroepen. Zowel de apothekers, vroedvrouwen als heelmeesters moeten zich voortaan aan strengere regels houden, gelijkwaardige examens afleggen en ze krijgen een specifieke taakverdeling.

Bernardus Res mag zich als heelmeester in principe alleen bezighouden met uitwendige problemen, zoals botbreuken en zweren. Als heelmeester op het platteland heeft hij wel toestemming om kleine inwendige ingrepen uit te voeren als dit noodzakelijk is. Hij mag aderlatenBloed uit aderen laten lopen. , steensnijdenHet verwijderen van blaasstenen. en amputeren.

Aderlaten, geschilderd in 1804

Hoe epidemieën de geneeskunde verder dwingen

In de tweede helft van de negentiende eeuw maakt Nederland kennis met het moderne ziekenhuis.  Tot die tijd is de ziekenzorg nog sterk gefocust op zorg aan huis. Heelmeesters bezoeken de patiënten vaak in hun eigen bed. Voor langdurige verpleging zijn zieken bovendien afhankelijk van vrouwelijke gezinsleden of zusters van de katholieke of protestantse kerk.

De laagste sociale klasse, zwervers, bedelaars en mensen met een verstandelijke beperking, kunnen wel terecht in zogenaamde gasthuizen en gestichten. Maar de kans om hier te genezen is minimaal.

Binnenplaats van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam Oud-West, 1880 - 1920
Deel alinea

Doordat veel zieken thuis blijven, kunnen besmettelijke ziektes zoals cholera, tyfus en pokken zich in de negentiende eeuw snel verspreiden onder familieleden. Nadat verschillende cholera-epidemieën in Amsterdam veel slachtoffers hebben geëist, besluiten zeven Amsterdamse artsen, zakenlieden en weldoeners iets te veranderen aan de ziekenzorg. In 1843 richten ze de Vereeniging voor Ziekenverpleging op.

Het doel van de zeven Amsterdammers is om vrouwen tussen de 25 en 45 op te leiden tot pleegzusters en zo de ziekenzorg in de hoofdstad te verbeteren. In december 1843 gaat de eerste pleegzuster aan de slag bij een Amsterdams gezin dat aan roodvonkKinderziekte met koorts, keelpijn en een rode, ruwe huiduitslag lijdt.

© OLVG

Het Prinsengrachtziekenhuis: het eerste lekenziekenhuis

Wanneer is het eerste ziekenhuis een feit?

De vraag naar pleegzusters blijkt zo groot dat de vereniging besluit om zoveel mogelijk zieken te verzamelen op één plek. Tien jaar na de oprichting koopt de vereniging vier afgekeurde pakhuizen aan de Prinsengracht. In 1857 opent hier het eerste lekenziekenhuis: het Prinsengrachtziekenhuis.

De verzorging in het nieuwe ziekenhuis is wel nog uitsluitend weggelegd voor de gegoede burgerij. Het is in tegenstelling tot de zorg aan huis niet gratis. Het grootste gedeelte van de pleegzusters werkt daardoor in de negentiende eeuw niet aan de Prinsengracht, maar nog steeds bij de mensen thuis.

Deel alinea

Bacteriën en virussen
In de tweede helft van de negentiende eeuw nemen niet alleen artsen, weldoeners en overheden nieuwe initiatieven om ziektes aan te pakken. Ook de medische wetenschap neemt een vlucht.

Wetenschappers, waaronder de Fransman Louis Pasteur, ontdekken dat bacteriën de boosdoener zijn van veel ziektes en onderzoeken hoe ze dit kunnen tegengaan. De Nederlander Martinus Beijerinck ontdekt in 1898 dat mensen ook ziek kunnen worden door iets dat kleiner is dan een bacterie: een virus.

Operatiekamer in de Boerhaave kliniek, Amsterdam 1909

De focus op het ziekenhuis
In de negentiende eeuw groeit niet alleen de kennis over ziektes, maar ook over hoe het menselijk lichaam precies werkt. Chirurgen krijgen bovendien steeds betere pijnstillers en narcosemiddelen tot hun beschikking, zoals morfine, waardoor ze eenvoudiger (grote) operaties kunnen uitvoeren.

Vanaf 1903 is de verpleging aan huis niet langer gratis. Met de modernisering van het ziekenhuis tijdens de Eerste Wereldoorlog loopt de thuisverpleging ook snel terug. Artsen realiseren zich dat zieken niet alleen gebaat zijn bij behandelingen, maar dat ze ook rust en een schone, steriele omgeving nodig hebben.

In het kort

  • De Franse machthebbers hervormen de geneeskunde in Nederland tussen 1795-1813. Ze verscherpen het toezicht en stellen strengere regels op over examens en taakverdelingen.

  • Halverwege de negentiende eeuw ontstaan de eerste ziekenhuizen en neemt de kennis over ziektes en het menselijk lichaam een vlucht.

Deel dit venster

collection

Verborgen verleden

Bekende Nederlanders gaan in het tv-programma Verborgen verleden op zoek naar hun familiegeschiedenis. De voorouders die zij in hun stamboom tegenkomen, hebben ieder een eigen verhaal dat vaak deel uit maakt van de geschiedenis van ons allemaal.