Kun je een oorlogstrauma krijgen zonder dat je een oorlog meemaakt?

10 minuten leestijd

© National Museum of the U.S. Air Force

Kun je een oorlogstrauma krijgen zonder dat je een oorlog meemaakt?

Oorlogen

Je leest nu

Kun je een oorlogstrauma krijgen zonder dat je een oorlog meemaakt?

    • Deel op

    • Gekopieerd
  • 6
  • 2003
Bekijk de collectie Tweede Wereldoorlog11 verhalen

Nu de Tweede Wereldoorlog meer dan zeventig jaar geleden is, slinkt het aantal directe betrokkenen. Daarmee vervagen de levendige herinneringen, maar verdwijnen ook de oorlogstrauma’s. Althans, dat zou je denken: nog altijd veroorzaakt de oorlog diepe wonden - ook bij mensen die pas ná 1945 zijn geboren.

Samengesteld door Fabian de Bont - Nicolaas op oorlogspad

Thuis gaat het kamp verder

In 1945 bevrijdt het SovjetlegerZo heet Rusland tussen 1922 en 1991, wanneer het een communistische staat is.  het Duitse concentratiekamp in Barth. Voor de Nederlander Joop eindigt dan de Tweede Wereldoorlog - vier verschrikkelijke jaren van gevangenschap zijn voorbij. Hij gaat eindelijk terug naar zijn vrouw in Amsterdam. Samen stichten ze een gezin en krijgen drie kinderen.

Voor Joop is de oorlog dan allerminst voorbij. Hij heeft PTSSPosttraumatische stressstoornis is een aandoening die ontstaat na gevolg van ernstige stresserende situaties, waarbij sprake is van levensbedreiging of lichamelijk letsel. Vaak komt dit voor bij mensen na oorlogen, verkrachtingen of gewelddadige situaties. - alles, maar dan ook alles roept associaties op met het concentratiekamp. Als zijn zoon Reinier een werkstuk schrijft over hennep, vertelt Joop hem dat ze in het kamp gevangenen hebben opgeknoopt met touwen, gemaakt van datzelfde hennep. Hij onthoudt Reinier niet van expliciete details.

Maar het gaat verder. Als zijn vrouw in verwachting is, wil Joop het kind Rudi noemen: de naam van zijn beste kampvriend. Maar als het kind een meisje blijkt te zijn, kiest hij niet voor een andere naam. Nee, ze moet hoe dan ook Rudi heten. Het concentratiekamp - Joop staat ermee op en gaat ermee naar bed.

Deel alinea

Fragment uit de documentaire van Louis van Gasteren uit 1969.

Het verhaal van Joop is in 1969 vastgelegd in de documentaire ‘Begrijpt u nu waarom ik huil?’ door de Nederlandse regisseur Louis van Gasteren. Hij laat daarin voor het eerst zien hoe oorlogsoverlevenden hun trauma’s onbedoeld overbrengen op volgende generaties. Zo zijn de kinderen van Joop ondervoed en kunnen geen eigen ‘ik’ ontwikkelen - het kamp gaat voor alles.

Dochter Rudi maakt zich in zeer korte tijd het kampleven eigen, niets ontgaat haar. “Ik wist alles van de meest afgrijselijke experimenten en martelingen. Hoe lang het duurt voordat je sterft. Hoé je dan sterft.” Als Rudi ouder is en in therapie zit, vraagt ze haar vader of hij weer drie kinderen zou krijgen, als hij dit had geweten. 

“Ik zou het zo weer overdoen”, antwoordt hij dan. Dochter Rudi is woest. “Weet je,” zegt ze. “Ze hadden jou daar in dat kamp moeten houden, dat had ons een hoop ellende bespaard.”

"Wij nemen bewust geen kinderen. We hebben wel een hond, daar kun je geen trauma aan overdragen." 

Hoe verloopt de erkenning voor tweede generatie oorlogsgetroffenen?

Wie als kind psychologische problemen ondervindt door de oorlogstrauma’s van zijn of haar ouders is een tweede generatie oorlogsgetroffene. Wetenschappers en psychologen spreken liever over ‘de naoorlogse generatie’ - het komt ook voor dat kleinkinderen en achterkleinkinderen trauma’s krijgen. 

De erkenning voor deze problematiek verloopt traag. Kort na de oorlog is er nog weinig bewustzijn. Zo sturen autoriteiten kinderen van de oorlogsslachtoffers op jonge leeftijd naar voormalige concentratiekampen voor educatieve bezoeken, zonder rekening te houden met eventuele gevoeligheden.

De Duitse Dunya Breur, een dertienjarig meisje wiens ouders kampoverlevenden zijn, gaat in 1955 op excursie naar BuchenwaldBuchenwald is een voormalig concentratiekamp in nazi-Duitsland vlakbij de stad Weimar. Het is in 1937 aangelegd door SS’ers. Het kamp is in april 1945 bevrijd. . Eigenlijk durft ze niet, maar nee zeggen kan ze ook niet: haar ouders hebben immers erger meegemaakt.

Deel alinea

© U.S. National Archives and Records Administration

Inwoners van Ludwiglust in Duitsland worden gedwongen om na de oorlog, in mei 1945, een voormalig concentratiekamp te bezoeken.

Een belangrijk sleutelfiguur in de erkenning is de Amerikaanse schrijfster Helen Epstein, die zelf een kind is van Tsjecho-Slowaakse holocaustoverlevers. In haar boek De kinderen van de holocaust uit 1979 introduceert ze de term tweede generatie oorlogsgetroffenen. Leidend in haar verhaal is het gemis van ouders en het ontbreken van antwoorden op vragen.

Zo loopt Will Bender tijdens de bevrijding van mei 1945 als kind door het feestgedruis. Ze zoekt haar vader, die tijdens de oorlog is opgepakt omdat hij voedselbonnen verstrekt aan Joodse onderduikers. Bender: “Ik weet nog dat alle mensen dansten, maar ik zocht naar mijn vader of hij naar huis was gekomen. Voor mij was het geen feest.”

Nu krijgt Will Bender behandelingen bij Stichting Centrum ’45 - samen met het Sinai Centrum een van de twee behandelcentra in Nederland voor psychische klachten van oorlogsgetroffenen. Zo is stichting Centrum ’45 in 1971 opgericht. Eerst voor directe betrokkenen van de oorlog, later ook voor de naoorlogse generaties.

Samen met het Sinai Centrum worden in Centrum '45 patiënten met oorlogstrauma's geholpen.

Wie zijn de tweede generatie oorlogsgetroffenen?

De twee centra in Nederland behandelen verschillende groepen tweede generatie oorlogsgetroffenen. Een eerste groep die we onderscheiden zijn de wezen. Van hen zijn de ouders in de oorlog gestorven. Zij kampen soms met psychische klachten omdat ze zich afvragen wat tijdens de oorlog met hun ouders is gebeurd. Ze hebben bindings- en verlatingsangst, raken soms depressief en wantrouwen de buitenwereld vaker dan anderen. 

Deel alinea
"Ik heb gezegd dat ze opener moest zijn, want ze maakte het ons moeilijk"

Audiofragment

Tweede generatie oorlogsgetroffenen spreken
Oorlog '40 - '45 - 4 mei 1981

De kinderen van verzetsmensen en kampoverlevenden vormen de tweede en derde groep. Het jarenlang dienen in het verzet of de ervaringen uit het kamp zorgen voor spanningen die belastend zijn voor de psychische gezondheid. En juist die spanning kunnen de ouders bij het opvoeden weer aan de kinderen doorgeven.

Zo wil de vader van Margit Willems niet vertellen wat hij in de oorlog heeft gedaan. Hij zwijgt, wordt afgekeurd als machinist en scheidt van zijn vrouw. Voor Margit is de situatie een zware belasting. Ze begint onbewust haar vaders trekken over te nemen. “Tien keer controleren of het gas wel uitstaat of dat de deur wel dicht is. Ik vond het absurd dat mijn vader het deed, maar nu doe ik het zelf ook.”

Audiofragment

Hoe gedraag je je na een trauma?
KRO - Goedemorgen Radio Nederland, 29 nov 2011

Hoe vergaat het de kinderen van ‘foute’ ouders?

Een vierde en laatste groep van de tweede generatie oorlogsgetroffenen zijn de kinderen van ‘foute ouders’, zoals die van NSB’ers.De Nationaal-Socialistische Beweging is een politieke partij in Nederland die van 1931 tot 1945 heeft bestaan. Tijdens de oorlog collaboreert de NSB met de nazi’s en is als enige partij nog toegestaan in Nederland. Daaronder vallen ook de kinderen van gedienden in Nederlands-Indië. Deze groep is groot - er zijn naar schatting zo’n 750.000 kinderen - maar hun aandacht komt relatief laat op gang. Ze moeten leven onder hun ouders’ schuld.

Deel alinea
NSB'ers en collaborateurs worden aangehouden, 19 april 1945.

Het onder een noemer scharen van deze groep met andere tweede generatie oorlogsgetroffenen levert weerstand op. Het is taboe. Mevrouw de Groot uit Enschede, zelf kind van een NSB’er, voelt zich een vreemdeling in eigen land. “We hebben niets gedaan, maar toch horen wij er niet bij. In het begin konden wij niet eens werk krijgen. Wat onze ouders deden werd ons nagedragen. Het grote zwijgen begon toen.”

Dat ongemak is goed te zien bij uitkeringen aan tweede generatie oorlogsgetroffenen. Zo voert de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Zorg in 1994 een vergoedingsregeling in voor aanvullende kosten van psychische klachten die in verband staan met de ervaringen van één of beide ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Aanvankelijk vallen kinderen van ‘foute’ ouders buiten de boot. In de regeling staat dat je als patiënt in aanmerking komt als je na 1945 bent geboren. De meesten kinderen van bijvoorbeeld NSB’ers zijn voor die tijd geboren. Pas in 2001 past de Tweede Kamer dit aan door de leeftijdscriteria te veranderen in “geboren na 1928”. 

De tijd heelt wonden: langzaam krijgen de kinderen van ‘foute’ ouders meer erkenning. Zo vertelt Tanja, kind van een NSB’er, in de talkshow van Karel van de Graaf dat klasgenoten haar continu hebben gepest en vernederd. Een kind van een kampoverlevende luistert naar Tanja’s verhaal en erkent in haar een medeslachtoffer. “Dat vind ik mooi om te horen,” zegt Karel van de Graaf dan.

Moeten we bij tweede generatie oorlogsgetroffenen wel spreken van trauma’s?

Na de millenniumwisseling komt ook een andere discussie op gang. Namelijk: kun je bij een tweede generatie oorlogsgetroffene wel spreken van een trauma - de kinderen hebben de verschrikkingen immers zelf niet meegemaakt. De psychiater Arend Veeninga stelt dat in 2006 in het Maandblad Geestelijke Gezondheid ter discussie. Veeninga: “Het omgaan met een getraumatiseerde ouder, partner of patiënt kan zwaar zijn, maar verschilt niet wezenlijk van het omgaan met iemand die lijdt aan, bijvoorbeeld, een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Trauma is dus niet besmettelijk – slachtofferschap kennelijk wel.”

Veeninga krijgt op dat moment veel tegenwerking. Medewerkers van Stichting Centrum ’45 vinden het artikel een schoffering van de problematiek. Veeninga zelf zegt dat hij de problemen niet relativeert. Hij wil het niet categoriseren als “oorlogstrauma’s”, maar als problemen die voortkomen uit relaties - verstoorde relaties tussen ouder en kind. Misschien zijn er ook andere oorzaken zijn dan enkel de oorlog?

Deel alinea

Audiofragment

Is een oorlogstrauma overdraagbaar?
NOS - Met Het Oog op Morgen, 3 mei 2006

Hoe vergaat het de kleinkinderen van oorlogsgetroffenen?

Bij sommige families dendert het familiedrama door en slaat het over naar de kleinkinderen: de derde generatie oorlogsgetroffenen. Dat gebeurt vooral bij families waar de oorlog een grote invloed heeft gehad, zoals Joodse families waarvan veel familieleden in concentratiekampen zijn omgekomen. In het Nederlandse Sinai Centrum behandelen psychiaters jongeren van de derde generatie - ze hebben het idee dat ze hun ouders niet kunnen helpen en een blok aan de been zijn. Sommige families zwijgen nog altijd over de oorlog. 

"Als kind bouwde ik concentratiekampen van legoblokjes." De hele aflevering zien? Kijk op VPRO.nl

Deel alinea

Een van hen is Natascha van Weezel. De Duitsers hebben de generatie van haar grootouders voor een groot deel uitgemoord. Het heeft weerslag op haar leven. “Ik heb het gevoel dat ik anders ben,” zegt ze daarover. “Ik denk dat het komt door de verhalen van mijn grootouders - dat ze als ratten werden behandeld. Ik behoor ook tot dat volk.” De oorlog is prominent in haar leven aanwezig, dagelijks loopt ze langs huizen waar familieleden zijn opgepakt door de bezetter.

Om het collectieve trauma van de Tweede Wereldoorlog te beëindigen nemen sommige tweede generatie slachtoffers rigoureuze maatregelen. Reinier, de zoon van de getraumatiseerde kampgevangene Joop kiest bewust om geen kinderen te krijgen. “Ik weet niet of ik psychisch stabiel genoeg ben om mijn ellende te verstoppen. Een hond hebben we wel, daar geef je zoiets minder snel aan door.”

Anderen verwerken het op hun manier, zoals concertpianiste Iris Hond. Haar grootouders zijn tijdens de oorlog gedeporteerd naar concentratiekampen. Ze droomt nog vaak over de oorlog, in nachtmerries nemen Duitse militairen haar familie mee. Die emoties en ervaringen zet ze om in muziek, schilderijen en gedichten. Misschien is dat ook een manier om ermee om te gaan. Op die manier is de oorlog niet alleen bron van ellende, maar ook een aanleiding voor iets nieuws - en heel misschien zelfs het begin van iets moois.

Nicolaas op oorlogspad

Meer dan zeventig jaar na dato spreekt de Tweede Wereldoorlog nog steeds tot de verbeelding. Nicolaas Veul heeft deze oorlog vaak ‘beleefd’ in Hollywood-films en videogames die de strijd echt voelbaar willen maken. In vier afleveringen onderzoekt hij wat WO II zo aantrekkelijk maakt.

In de vierde aflevering ontmoet Nicolaas onder andere concertpianist Iris Hond. Ze is dertig en heeft van kinds af aan nachtmerries over Duitsers die haar familie meenemen. Nicolaas mag bij een therapiesessie zijn in het Sinai Centrum waar jongeren worstelen met de naweeën van de Holocaust. Ondertussen strijdt antifascist Arthur Graaff overal waar hij kan tegen het neonazisme en gaat daarin heel ver.

In het kort

  • Wie als kind psychologische problemen ondervindt door de oorlogstrauma’s van zijn of haar ouders, valt onder de noemer tweede generatie oorlogsgetroffene. Wetenschappers spreken liever over ‘de naoorlogse generatie’ - het komt ook voor dat kleinkinderen door de trauma’s van eerdere generaties problemen krijgen.

  • Onder de naoorlogse generatie vallen verschillende groepen: wezen waarvan de ouders in de oorlog zijn gestorven, kinderen van verzetsmensen en burgerslachtoffers, maar ook kinderen van kampoverlevenden en ‘foute ouders’.

  • De erkenning van deze naoorlogse problematiek verloopt traag. Pas in de jaren tachtig komt wetenschappelijk onderbouwde erkenning.

  • De erkenning van de problematiek van kinderen van ‘foute’ ouders loopt nog tragers. Het is lange tijd taboe om hun problemen samen te nemen met bijvoorbeeld de kinderen van kampoverlevenden. 

  • In Nederland zijn twee behandelcentra - Stichting centrum ’45 en het Sinai Centrum - waar tweede generatie oorlogsgetroffenen terecht kunnen met hun problematiek.

Deel dit venster

collection

Nicolaas op Oorlogspad

In vier afleveringen gaat Nicolaas Veul schietend, gravend, herdenkend, snikkend én verzet plegend op zoek naar de plek die de Tweede Wereldoorlog tegenwoordig in onze Nederlandse samenleving inneemt.